Padre Humberto
De in Schaesberg geboren padre Humberto [pater Hubert Jongen] trok zich het lot van de Braziliaanse straatjongeren aan. Hij werkte ruim 30 jaar in Villa Rosina en bouwde behalve een waterput en een kerk ook een opleidingscentrum, waar deze jongeren een aanvullende opleiding kunnen volgen. Padre Humberto vierde op 21 februari 2007 zijn 100e verjaardag. Kort daarna overleed hij, maar eerst riep hij nog de stichting PATRIS in het leven, opdat zijn levenswerk kon worden voortgezet. Drie jaar voordat hij overleed schreef padre Humberto zelf zijn indrukwekkende biografie, die we hieronder afdrukken.
Biografie van Padre Humberto [door pater Hubert Jongen]
‘Mijn vroegste herinnering ging over het tegendeel van bewegen. Ik was toen 4 jaar jong en zat op de Bewaarschool [later Kleuterschool en nog later Basisschool] in Schaesberg [nu Landgraaf]. Die bewuste namiddag zei de Zuster die ons blijkbaar veel te druk vond: ‘Wie ’t mooiste slaapt, krijgt een prijs’. Die prijs kreeg ik! Daar heb ik voor gezorgd! Fier, als een ongekroonde Ridder in de Orde van Oranje Nassau, ging ik naar huis. Dat huis lag in de Brugstraat, aan de overzijde van de spoorbrug. Ik ben later nog dikwijls over een brug gekomen: van Nederland naar België, naar Oostenrijk, USA, Afrika, Haïti tot in Brazilië aan toe. Bij ons thuis in Schaesberg was het heerlijk wonen. Ik herinner me een spreuk boven de deur van ons huis, in de Duitse taal:
Wo Glaube, da Liebe,
Wo Liebe, da Friede
Wo Friede, da Gott
Wo Gott, keine Not.
Vader was bovengronds mijnwerker met een bescheiden loon. Ik hoor Moeder nog antwoorden op mijn bezorgde vraag: ‘Mam, zijn wij arm?’ ‘Nee, jongen, wij zijn geringe mensen.’ Buiten de 9 kinderen [daarvan zijn er anno 2011 nog 3 in leven met een gemiddelde leeftijd van meer dan 90 jaar!] was er nog plaats voor oma en voor neef Frans, die na verlies van beide ouders verweesd was. Frans werd de vader van Jo van Mil. Deze is nu bestuurslid van de stichting die ons project voor de opvang van werkloze jongeren in Brazilië ondersteunt. De Voorzienigheid schikt het zo, dat wat mijn familie ooit deed voor zijn vader, de zoon 80 jaar later doet voor de familie.
1914
Op mijn 7e levensjaar, het was toen 1914 en de Eerste Wereldoorlog stond op uitbreken, begon ik na te denken over mijn latere beroep. Uit de bus kwam pater of wielrenner! Het bleef bij het eerste en in 1920 ging ik naar het Klein Seminarie van de Paters Montfortanen in Schimmert. In die tijd was er voor een seminarist van een kloostercongregatie voor beweging buitenshuis weinig of geen plaats. Ik haalde de schade in bij mijn eerste benoeming, bij de Mariale Werken in Leuven. In 1934 begonnen we daar met het uitgeven van een tijdschrift in ’t Nederlands over Mariadevotie, en een jaar later al in het Frans. Ik was redactiesecretaris van beide én propagandist. Dat laatste betekende: met de fiets op de trein, uitstappen in een stadje, en in de omliggende dorpen ‘grazen’ naar ‘ijveraarsters’ (zelatricen). Een zwaar werk, maar wel vruchtbaar. In 1947 zouden we een gezamenlijke oplage bereiken van 240.000 exemplaren!
1940. Tweede wereldoorlog.
Op 10 Mei was ik aan het preken in Sluizen, bij Tongeren. Een paar dagen daarna fietste ik naar het Bisdom in Luik. Daar kreeg ik de opdracht alle dekenaten in de provincie Limburg te bezoeken en aan de dekens richtlijnen in verband met de bezetting te overhandigen. Het fort Battice was in actie. Maar blijkbaar waren de kanonschoten niet bedoeld voor mij!
Zondag 19 Mei, fietste ik terug naar het Bisdom in Luik. Bij het afdalen vóór Fléron brak de stang onder het zadel. In plaats van mijn fiets berijden, werd het nu fiets leiden. De bisschop, mgr.Kerkhofs, was blij met zoveel nieuws uit zijn diocees. Maar voor de verdere reis naar mijn voorlopig huisadres, de gastvrije hoeve Manshoven in Heks, kon hij me niet helpen. Ik kwam voorbij een garage. De eigenaar stond buiten de deur. Alsof hij op mij wachtte! Ik vroeg hem of hij een oplossing had voor mijn probleem. Hij vond in zijn werkplaats een bezemsteel. Met een stuk daarvan verbond hij stang en zadel. Met de vermaning voorzichtig te zijn bij het verder rijden, kon ik nu mijn weg vervolgen. Gezeten op die bezemsteel reed ik triomfantelijk binnen door de grote poort van Manshoven. Bij die goede mensen ben ik later nog dikwijls teruggeweest. Ik ging daar de geschiedenis in als ‘den Pater van den oorlog!’ Natuurlijk zou mijn eerste werk moeten zijn geweest het lassen van de fiets. Maar ik nam daar de tijd niet voor. Op die bezemsteel reed ik naar de ruïne van ons klooster in Leuven, daarna door naar Brussel, Meerssen, Schaesberg en terug. Pas daarna werd mijn vervoermiddel hersteld. Die fiets had in deze tijd, begin van de oorlog, heel wat van de oorlog en van de verwoestingen gezien.
Kort daarna kreeg ik een verzoek van de zusterscongregatie Dochters der Wijsheid in Brussel. Veel zusters, die in het onderwijs stonden, waren naar het Moederhuis in Frankrijk gevlucht. Om niet hun plaats te verliezen, moesten ze zo vlug mogelijk gevraagd worden spoedig naar België terug te keren. Maar hoe hen te benaderen? Trein, bus, telefoon – van fax en internet bestonden nog niet!- werkten in juli 1940 in Frankrijk niet. Alleen persoonlijk contact deed het. Of ik dat wilde doen? Ondertussen waren de zusters al over heel Frankrijk verdeeld. Ik kreeg een lijstje met hun adressen en op 2 juli 1940 startte ik in Brussel. De reis leidde me naar Parijs, St.Laurent-sur-Sèvre, La Rochelle, Bordeaux, Toulouse, Lourdes, Spaanse grens en terug. Alles non-stop. Na twee weken, op 16 juli, was ik terug in Brussel. En op mijn basis in Leuven. Mission acomplie! Dertig keer kwam ik tijdens de bezetting clandestien naar Nederland. Een paar keer liep het mis. Maar – onverklaarbaar – lieten de Duitsers me later weer lopen. Marchandise sans valeur! Ik schreef in Leuven een paar boeken: Rosa, O.L. Vrouw van Fatima, en een kleine biografie van de stichter van onze congregatie de H. Montfort. Deze laatste biografie werd onlangs nog in het Spaans vertaald. Ik schreef in 1943 het eerste boek over Fatima in het Nederlands. Einde 1945 ging ik de eerste keer naar Fatima. Ik ben er nog 20 keer terug geweest. In 1946 startte vanuit Leuven de eerste internationale bedevaart naar Fatima.
1948 Oostenrijk
In 1948 kreeg ik bezoek van onze provinciaal, P.Theunissen. ‘Hoe gaat ’t?’ ‘Graag wat anders.’ ‘Waar wil je naartoe’ ‘Zegt u ’t maar’. Ik verwachtte Portugal. Het werd Oostenrijk! Begin november 1948 kwam ik ’s avonds laat aan in Villach, aan de Slowaakse grens. De deken haalde me af van het station. Ik werd Hauptstadtpfarrekaplan! Het jaar daarna ging ik naar Salzburg. En bleef daar 20 jaar! Vanuit Salzburg organiseerden we veel bedevaarten. Het feit dat ik in het Klein Seminarie Duits, Frans, Engels, Latijn en Grieks had geleerd, kwam daarbij goed van pas. In het Groot Seminarie leerde ik nog Italiaans, Spaans en Portugees. Uit tijdverdrijf. Die bedevaarten gingen naar Fatima, Rome, Syracuse (Italië), Lourdes, Altötting, Banneux, Beauraing, Ephese (Turkije). In 1950 organiseerden we de eerste bedevaart uit Oostenrijk [na de oorlog] naar Lourdes. Ik kwam daar 50 keer. Elf keer kon ik ‘meedoen’ aan een bedevaart naar het Heilig Land. In 1953 kreeg ik de kans naar Rome te gaan plus de gelegenheid Paus Pius XII een hulde-adres aan te bieden, met een stapel handtekeningen van abonnees van ons tijdschrift. Nooit vergeet ik de hartelijkheid waarmee Hij zei: ‘Ich danke Ihnen’. Datzelfde jaar gebeurde in Syracuse (Italië) het zogenoemde tranen-wonder. Alle bisschoppen van Sicilië verklaarden dit als een authentiek mirakel. Ik ging daarna naar Syracuse en schreef er een brochure over. In korte tijd bereikte deze een oplage van een kwart miljoen exemplaren. Onze bedevaart naar Syracuse was een van de eerste buitenlandse bedevaarten. Daarom kregen we een enthousiast welkom van de bisschop.
Ondertussen was ik begonnen met een Mariaal tijdschrift in het Duits voor Oostenrijk en alle landen met een Duitse minderheid. Zo ontstonden filialen of secretariaten in Duitsland, België, Luxemburg, Frankrijk, Saar, Italië en Zwitserland. Het tijdschrift en de filialen bestaan nog altijd. Gedurende de opstand van de Hongaren tegen de Russische bezetting en de genadeloze repressie in 1956 werd Oostenrijk overstroomd door vluchtelingen. Ik gaf enige studenten van de Universiteit van Györ een onderkomen in ons huis. Dat werd aanleiding tot nauwe betrekkingen met het Groot Seminarie van Esztergom, in de buurt van Budapest. Ik slaagde er in een mooie hoeveelheid goederen en geld daar naartoe te smokkelen. Niet zonder bijzondere bescherming [van boven] bij de grensovergang en bij de controle door de communisten. Eén van de toenmalige seminaristen, Csordás, werd later secretaris van de kardinaal en Primas in Esztergom. Daarbij was hij onder meer de coördinator van het terugbrengen van de ‘gevluchte’ Heilige Kroon uit de USA naar Budapest in 2000. Die kroon had precies 1000 jaar tevoren koning Stephaan van Hongarije ontvangen uit de handen van de Paus in Rome. Csordás is thans rector van het Paszmaneum, een college uit de 18e eeuw in Wenen, toebehorend aan de Kerk in Hongarije. [Redactie: Tot zijn overlijden hield pater Jongen nauw contact met hem en met zijn trouwe lezers in Oostenrijk en Duitsland].
Een witte Pater, pater P.Denis, gedurende vele jaren missionaris in Burundi, apostel van het daar bloeiende Marialegioen, nodigde me in 1964 uit de toenmalige Belgische kolonie Burundi en Rwanda te komen bezoeken. Ik moest daar conferenties geven over Mariadevotie en Fatima aan scholen, noviciaten en priesters. De voertaal was Frans. Ik deed dat een paar maanden. Burundi, nu onafhankelijk, heeft zo’n 6 miljoen inwoners, waarvan een jaar of tien geleden 84% in absolute armoede leefde. De levensverwachting was toen 50 jaar! 70% van de bevolking is christen. Rwanda, nu ook zelfstandig, heeft zo’n 8 miljoen inwoners. Levensverwachting 47 jaar! 65% is katholiek.
Pater Denis was bezig met de stichting van een inlandse vrouwencongregatie:
‘Militantes de la Vierge’. Met hulp van mijn broer – toen provinciaal econoom van de Paters Montfortanen – kon ik Pater Denis helpen bij de bouw van hun eerste klooster. Graag had ik mijn zus, Dochter der Wijsheid, in Congo bezocht. Maar de onlusten met Lumumba maakten dat onmogelijk. Maar goed ook! Wat onze paters en zusters in die tijd in Congo hebben meegemaakt, totdat Amerikaanse soldaten hen bevrijdden, is met geen pen te beschrijven. Nadat Belgische parachutisten hen in Stanleyville datzelfde jaar [1964] uit de hel verlosten en hen repatrieerden, kon ik enkelen van hen een noodzakelijke en aangename adempauze aanbieden in Salzburg. Naar men zegt is Salzburg een van de drie mooiste steden van de wereld.
Ons Duitstalige tijdschrift ‘Im Dienste der Königin’ bloeide met zijn meer dan 100.000 abonnees. Ik schreef er veel in over de missie. In die tijd verscheen een boek met wereldfaam: ‘Brasilien, Kontinent der Zukunft’. Dáár wilde ik graag mijn schouders onder gaan zetten. In April 1967 reisde ik vanuit Le Havre met een grote passagiersboot, de ‘Pasteur’, en 1100 mede-passagiers voor een oriëntatiereis naar Rio de Janeiro. Ik herinner me dat de machinist me op zekere dag naar zijn machinekamer uitnodigde. Of ik niet even het stuurwiel wilde overnemen? Een leuk gevoel was ’t voor me: Op de Atlantische Oceaan ‘ich als Sjeeter Jong’ een reus van een schip verder loodsen!
Mijn Oversten hadden me alleen maar naar Brazilië laten gaan om daar ook met Mariaal Werk te beginnen. Maar mijn eerste pogingen mislukten. Ik troostte mij met een bezoek aan de Verenigde Staten. Daar volgde ik in het voorjaar van 1968 in Saint Louis aan de universiteit een cursus: ‘English for straingers’. Mijn proefschrift handelde over de Monroe-leer en de gevolgen voor Brazilië. Tegelijkertijd studeerde daar een Montfortaanse seminarist. We ontmoetten elkaar weer in 1999 in Salzburg, bij gelegenheid van het 50-jarig jubileum van ons tijdschrift. Hij, William Considine, Generale Overste van de Montfortanen. Ik, oudste Montfortaan van de wereld!
62 jaar: naar Brazilië
Einde 1968 – ik was toen bijna 62 jaar, een leeftijd waarop sommige mensen zich vervroegd laten pensioneren – vertrok ik de derde keer naar Brazilië, het land van mijn dromen. Deze keer bereid tot alles! Ik begon als pastoor in een klein dorpje, Jardim Rincao, in een armenwijk van Sao Paulo. Wie kennis wil maken met het Brazilië van vandaag, raadplege het boek ‘Brazilië’ van Marcel Bayer. Zie ook internet www.dominicus.info. In dit boek staat uitvoerige achtergrondinformatie en bijna 100 blz. praktische inlichtingen. Sao Paulo is de vijfde industriestad van de wereld en heeft ongeveer 2,5 miljoen industriearbeiders. De stad Sao Paulo is één van de 35 gemeenten die samen één stedelijk gebied, Groot Sao Paulo, vormen. Hier wonen tussen de 15 en 20 miljoen mensen. Elk jaar komt er in Groot Sao Paulo een nieuwe stad van ruim 400.000 mensen bij (zie Brazilie). In hetzelfde boek is te lezen: ‘Tegenover de enorme welvaart in Sao Paulo staat de armoedige leefsituatie van een groot deel van de stadsbewoners.’ En ter illustratie: ‘De minder bedeelden die dicht bij het centrum willen wonen, zijn aangewezen op de cortiços in de oude arbeiders/emigrantenbuurten. Ze leven daar in oude, slecht onderhouden panden, waar tientallen gezinnen boven elkaar leven, één toilet delen en waarvoor forse huren worden betaald. Een kwart van de Paulistas (inwoners van Sao Paulo) woont, naar men zegt, tegenwoordig in dergelijke cortiços. In mijn dorpje, Jardim Rincao was het niet zo erg, maar toch! Daar was noch kerk, noch school, noch water, noch elektriciteit in de huizen. Een aantal jaren later was dat er allemaal. Plus een semi artesise put, die in enkele uren de waterbak van 15.000 liter vult. Ik plaatste er 11 watertrogs, zodat de moeders hier de was konden doen en de kinderen meebrengen. De sfeer van die tijd proeft u in mijn Nieuwjaarsbrief van 1977 aan mijn weldoeners in Nederland en België, die bewaard is gebleven….
Nieuwjaarsbrief 1977
Beste Vrienden, Op de eerste plaats een Zalig en Gelukkig Nieuwjaar. Ook namens de mensen van Jardim Rincao, die een heel jaar lang (volkomen gratis) goed water konden drinken en de was doen, dank zij uw begrip en edelmoedigheid. Een Gelukkig Nieuwjaar ook namens de vele kinderen, die ik elke dag echte boterhammen en chocolademelk kan geven, omdat mijn vrienden in Europa me daartoe in staat stellen. Ik was aangenaam verrast door uw enthousiaste medewerking bij de melkactie. Het zijn tot nu toe 200 kinderen, die elke dag onze kleuterschool en onze andere school bezoeken, die ervan genieten. Ik hoef dus niet verte lopen om dagelijks een flink aantal liters melk kwijt te raken. Het zou u goed doen, beste vrienden, als u zag, hoe gretig de kleinen het kostbare vocht naar binnen spelen. Ik sprak daar van onze andere school. Ze heet LAR MONTFORT of Montfort-tehuis. De bedoeling is een aantal kinderen, die aan zichzelf zijn overgelaten, omdat beide ouders uit werken gaan, of voor de kinderen geen belangstelling hebben, bij ons een thuis te geven. We hebben 9 groepen van kinderen tussen 7 en 14 jaar, met een eigen groepsleider. De groepen tellen niet meer dan 15 kinderen, om de groepsleider de mogelijkheid te geven elk kind apart te begeleiden. Van de groepsleider wordt op de eerste plaats gevraagd, dat hij hart heeft voor zijn kinderen. En dat hij in zijn groep een familiesfeer weet te scheppen. Ik vroeg dezer dagen aan Katia, 10 jaar, waarom de naam Montfort? “Omdat die man erg veel van kinderen hield” was het antwoord. Ik denk dat onze Stichter het leuk vindt, dat dit ook al tot Brazilië is doorgedrongen! De kinderen van het Montfort-tehuis, zijn allemaal leerlingen van de Lagere School. Bij ons krijgen ze een extra rantsoen Portugees en rekenen. Bovendien de vakken: sport, levensoriëntering, hobby en volkskunst. Er bestaat een goede samenwerking tussen de officiële school en ons tehuis,wat de kinderen natuurlijk zeer ten goede komt. Omdat de kinderen vrijwillig ons tehuis bezoeken, heeft onze “school” voor hen een bijzondere aantrekkingskracht. We beginnen ’s morgens om 8 uur, maar drie kwartier van te voren staan of zitten de kinderen al voor de deur. Ze vinden jammer, dat op zaterdag en zondag geen school is! De groepsleiders zijn bijna allemaal uit ons dorp, verschillende van hen met slechts een paar jaar Lagere School. Met de maand opleiding die ze hebben gekregen en het idealisme dat ze tonen, doen ze het niet slecht. Salaris kan ik niet geven, maar ze krijgen wel een naar omstandigheden redelijke vergoeding. Ik denk, dat ons Montfort-tehuis, waar de kinderen mensen ontmoeten die tijd en toewijding voor hen hebben, van onschatbare betekenis is voor hun toekomst. Alle beschikbare ruimten van de pastorie zijn nu bezet, maar ze kunnen niet nuttiger gebruikt worden. Natuurlijk brengt zo’n tehuis enige financiële lasten met zich mee. De Gemeente beloofde hulp, maar tot nu toe is het bij deze belofte gebleven. Zolang ik mijn lasten met mijn Vriendenkring kan delen, zijn het alleen maar lasten, geen zorgen. Dank zij velen onder u die doorgaan met pakken sturen met gebruikte kleren kunnen wij elke maand 2 dagen “bazar” houden. Enkele maanden geleden werden de pakken een tijd lang op het hoofdpostkantoor vastgehouden, en de politie kwam om te informeren, wat die Padre Humberto voor een man was. Priesters die sociaal werk doen zijn voor de politie verdachte elementen, misschien wel communisten. En dat is in Brazilië erger dan misdadigers. Nu komen de pakken weer gewoon door, maar goed ook, want de opbrengst van de “bazar” blijft een belangrijke hulp bij het in stand houden van de parochiewerken. Gelukkig is een aantal van onze jongeren altijd bereid op de dagen van de “bazar” te helpen.
In de maand juli ben ik met een 25-tal misdienaars een kleine week op vakantie geweest in een parochie in het binnenland, 500 km. van hier, waar mijn confrater P.Huysmans pastoor is. De volgende week ga ik met een 40-tal naar de parochie van laatstgenoemde en die van een andere Montfortaan, P.Büner. De kinderen zijn nu al wild bij de gedachte aan de grote reis. Veel van hen zijn nooit buiten Sao Paulo geweest, en sommigen hebben nog nooit een trein gezien. De kinderen betalen voor trein en verblijf 2 gulden of 30 Bfrs. De rest is voor mijn- en uw rekening! We hebben niet vergeten, beste vrienden, in de nachtmis van Kerstmis en Nieuwjaar, bij de voorbeden, voor u allen te bidden. Zonder uw belangstelling en steun zou het immers niet mogelijk zijn onze parochie in leven te houden. We hopen, dat we ook in 1977 op uw hulp kunnen rekenen. In die hoop, of liever met die blijde zekerheid, groeten u de kleine en de grote mensen van Jardim Rincao en hun pastoor. Tot zover onze Nieuwjaarsbrief 1977.
1978
Ondertussen spoorde Kardinaal Arens ons aan naar roepingen voor onze Congregatie uit te zien. Goed, maar waar eventuele kandidaten onder te brengen? De confraters vonden mijn huis het meest geschikt. Maar dan was voor mij geen plaats meer. Ik had geen enkel bezwaar, maar waar naartoe? Ik wilde in elk geval niet ver van de confraters. Ik overlegde met de bisschop van het bisdom daarnaast. Zijn antwoord: “U moogt niet alleen, u moét!” We zijn nu in 1978. Hier begint het meest interessante deel van mijn leven. Het werd tijd, ik ben onderhand goed zeventig! Mijn huishoudster van mijn eerste parochie werd ernstig ziek. Tumor in ’t linker middenoor, doorkruist door een ader. Ik ging met haar naar een specialist. Nadat deze het resultaat van vorige onderzoeken had gelezen, stond zijn mening vast. Niks meer aan te doen! Dona Maria ging naar huis, kwam niet meer naar buiten, kon niet meer slapen. “Die vreselijke pijn!” Ik herinnerde me toen de Stichter van het Blauwe Leger in Amerika. Die zei: Maria is een vrouw. Je moet met Haar praten”. Dat deed ik: “Hoor eens, Lieve Vrouw, als uw naamgenote geneest zonder verdere dokter of medicijn, beschouw ik dat als een teken, dat Gij hier in Vila Rosina een heiligdom wenst met de titel “Maagd der Armen”. Kort daarna was elk spoor van de ziekte verdwenen. Enige tijd daarna werd in ons dorp Vila Rosina na een normale bevalling een moeder onbeweeglijk. Ze verbleef in drie hospitalen. Niemand kon haar helpen. Iemand uit ons dorp bezocht de zieke, en de zaal deed samen een novene tot O.L.Vrouw Maagd der Armen (Banneux). De vijfde dag stond de verlamde op en ging rond de bedden, terwijl de zaalgenoten een bekend Marialied zongen. De bisschop was blij met het idee van het heiligdom en gaf zijn zegen. Maar niet het geld! Nog in 1983 kon de nieuwe bedevaartskerk in Vila Rosina worden ingewijd. Ze trekt nog altijd – vooral elke maandag – heel veel mensen, en talrijk zijn de gebedsverhoringen. Kardinaal Simonis celebreerde er bij zijn bezoek aan Brazilië. Hij verklaarde later dat dit een van de hoogtepunten van zijn bezoek was geweest, de hl. Mis in dit heiligdom.
In die tijd kwam ik eens terug van mijn maandelijkse Mariaconferentie in Rio de Janeiro. We kozen de prachtige weg langs de kust en bezochten de pastoor van Parati. Parati is de “parel” van de Costa Verde, de Groene Kust, een van de mooiste straten van de wereld, tussen Rio de Janeiro en Santos. Het stadje is nog gans in koloniale stijl en daarom door de Unesco erkend als monument. Rond 1600 bouwden de Portugezen hier een kapel, de oorsprong van Parati.
De pastoor, Pater Peters, uit Belgisch Limburg, ontving ons in zijn pastorie, naast de kerk van O.L.Vrouw van Zeven Smarten, daterend van rond 1800. Hij vertelde dat hij de enige priester was in de stad. Tot zijn parochie behoorden ook nog een aantal gehuchten van vissers, alleen toegankelijk over ’t water. Zijn tijd reikte niet voor een bezoek aldaar. We namen afscheid, maar op de verdere reis zeg ik tegen mijn reisgenoot José:”Zouden we die zielzorg van die arme gemeente er niet bijnemen?” Hij ging direct akkoord, de pastoor van Parati was in de wolken, we kochten een boot, huurden een stuurman-katechist en na twee uur varen legden we aan. Vrouwen en kinderen kwamen naar het strand, stom van verbazing en blijdschap. De mannen waren op zee. We zijn er vele malen terug geweest, telkens met meerderen, totdat Parati een kapelaan kreeg die ons werk overnam. Eigenlijk waren we blij, want ’t was toch altijd 5 uur rijden tot Parati… Parati was een groot avontuur.
Het volgende avontuur was een gehucht in ‘het Noordoosten van Brazilië, Passagem do Uruçu, Gemeente Paranatama, 200 km beneden Recife, 2500 km van huis in Vila Rosina. Die streek is in Brazilië berucht vanwege de droogte. Zo had het daar de laatste zes jaar niet meer echt geregend. Tot januari van dit jaar. Het tragische is dat daar alleen maar kleine boeren wonen. Geen regen, geen oogst, geen geld. Geen fabriek, geen winkel, geen straat, geen dokter, geen apotheek. De mannelijke jeugd wijkt uit naar Sao Paulo om werk te vinden in barre omstandigheden. De parochiekerk ligt 2 uur gaans van bovengenoemd gehucht. Ik bouwde er in 1993 een kerk, die kort daarna werd ingezegend door mgr. Postma, bisschop van het bisdom Garanhuns en Nederlander. Geregeld komt een Pater Franciscaan in die kerk celebreren. Ik zelf ben er 26 keer geweest. Met een lijnbus Sao Paulo-Garanhuns. Telkens 45 uur heen en 45 uur terug. Dat kon, ik was pas rond de 90 jaar. Ook de hier gebouwde kerk is een bedevaartskerk, toegewijd aan O.L.Vrouw van Banneux. Tot vandaag bezoeken vele honderden mensen dit heiligdom. Bijna allen te voet, soms uren ver. Elke woensdagavond. Gewoonlijk zonder priester, maar met een geloof dat mij deed zeggen: “Een bezoek bij deze mensen is een bad in hun geloof!” De buitengewone gebedsverhoringen zijn navenant! Hier woont een volk, van allen verlaten, behalve door God! Hetzelfde als voor dit volk geldt dat voor de Indianen die ik vaker bezocht in de buurt van het stadje Aguas Belas. Van de mensen verlaten. Van de oorspronkelijke 2 miljoen zijn er nog 120.000 over… Tot 1988 hadden ze niet eens stemrecht in Brazilië. Ik heb in voornoemde plaats een kleine groep ondersteund. In een vurige toespraak kreeg ik als erkenning een pijl en boog. Toen ik onlangs een schuttersfeest bezocht in Straelen (Duitsland) moest ik mij bij gebrek aan pijl en boog bedienen van een geweer. Ik verschoot er mijn laatste kruit!
90 jaar
Goed 90 jaar was ik nog niet in Haïti geweest! Ik ging er in de zomer van 1998 naartoe. Niet als invaller bij het door de Haïtianen afgodelijk vereerde nationaal voetbalelftal, maar als invaller-missionaris. Bij een volksmissie. Haïti behoort namelijk tot Latijns Amerika. Voertaal Frans en Creools. Ik werd bij het binnenrijden van de poort van ons Montfortaanse klooster in Port-au-Prince opmerkzaam gemaakt op een inschrift. Hier was kort te voren een confrater doodgeschoten. De politie had (van te voren!) in de nabijheid een ambulance neergezet. Want het lijk mocht daar niet lang liggen. Pater Vincent was immers symbool van de verdedigers van de armen. Een schande was hij in dit armste land van de wereld. Met 80% van het volk in absolute armoede. En een levensverwachting van slechts 57 jaar.
Ik ben dus nog al beweeglijk geweest in mijn leven. En natuurlijk ook wel eens bewogen. Vooral herinner ik me mijn bezoek bij Lucia, de nog levende zienster van Fatima, een maand jonger dan ik, op de dag af. Wat mij vooral trof was haar eenvoud en de vanzelfsprekendheid waarmee ze zich bewoog en sprak. Dat was in 1946. We zijn nu allebei 97 jaar. Dan die audiëntie bij Paus Pius XII in 1954. Nooit vergeet ik de toon waarop hij “Dank u” zei bij ’t overhandigen van een boek met handtekeningen van duizenden lezers van ons Duitstalige Mariale tijdschrift. Vervolgens het bezoek aan het graf van Christus in de H. Grafkerk van Jerusalem. Een Dode die leeft en leven geeft aan alles wat leeft! Tenslotte de begrafenis van mijn jongste broer en de tranen van mijn vader. Jakob was de laatste van zijn drie jongens, die ’t geslacht kon voortzetten. Twee had hij, eenvoudig mijnwerker, aan de Heer afgestaan als priester [Redactie: en nog eens twee dochters als zuster/religieuze/Dochters der Wijsheid]. Maar God vraagt alles van hem. Hij zal er vandaag geen spijt van hebben! Alles bij elkaar was ik in mijn leven dus nog al “beweeglijk”. Dat is mijn enige verdienste: ik liet mij bewegen! Als de 3 met mijn hulp gestichte tijdschriften nog altijd leven, verschillende van mijn boeken nog worden gelezen, de gebouwde kerken zich nog vullen, de putten in het land van de droogte in Brazilië nog water schenken, en vooral, als veel mensen ook door mijn toedoen door hun geloof gelukkigere mensen zijn geworden, is dat helemaal te danken, niet aan mij beweeglijke, maar aan de grote “Beweger”. O.L.Heer: “Zonder Mij kun je niets!” Ik ben Hem dankbaar! Intussen wordt hett avond, levensavond, ook voor mij. Ik zing mijn laatste liedje, zoals die zwaan. Met dat liedje zwem ik naar de oever, die prachtige Oever, waar elke dag een feest is: kinderen zingend, dansend voor hun Vader, die Zijn enige Zoon liet sterven, opdat het voor hen eeuwig Pasen en Feest kon zijn.
Opvang- en Vormingscentrum voor werkloze jeugd
Mijn laatste liedje is een Opvang- en Vormingscentrum voor werkloze jeugd. Jeugd is er genoeg in Brazilië. Bijna de helft van de bevolking is jonger dan 19 jaar! En de werkloosheid zo groot de dat de meesten geen uitzicht hebben op een baan. Met 18, 20 jaar verloren ze met de school hun thuis. Ze droomden van een eigen thuis met partner en kinderen. Met beroep en werk. Het ontwaken is verdriet en wanhoop. Over blijft alleen de straat, “straatkinderen”. Christus heeft in het Evangelie aan hen gedacht: “Wie een kind opneemt, neemt Mij zelf op.” (Lucas 9,47). Dus wordt voor die werkloze jeugd in Brazilië een huis gebouwd. “PATRIS, Huis van de Vader” is de naam. God is immers van die kinderen de Vader. Hier vinden ze een warme opvang, ze leren een beroep, worden gevormd van halve mensen tot volwaardige burgers van staat en kerk.
Het huis is op het moment dat ik dit schrijf [in 2004] al half klaar. Nu nog een verdieping. Ook in Brazilië kost dat geld! Tientallen jongens en meisjes wachten tot de deur open gaat. U beste lezer, hebt die sleutel. Die sleutel is gebed en/of geld. Daarmee wordt u “huisgenoot” in het Huis van de Vader. Daar wonen is veilig, aangenaam en zegenrijk. Voor de jeugdigen en voor u! Tevens investeert u in de jeugd, de toekomst van het “Continent van de toekomst” en doet u mee aan pionierswerk. Een project met uitstraling en geëigend voor navolging. Het huis staat in Vila Rosina, een arme wijk van de gemeente Caieiras, aan de rand van Sao Paulo. U kunt de bouwwerkzaamheden volgen op internet. Als iemand me vraagt: Hoe ben je zo oud geworden, moet ik zeggen dat ik daarvoor niets bewust heb gedaan. Integendeel! In de eerste jaren van mijn “beweeg” in Leuven was mijn leuze: Hoe eerder kapot, hoe rapper bij God!
Een andere uitleg. Zoals ik al zei, schreef ik in 1941 een boek over Rosa, een kind van 11 jaar, toen ze in West Vlaanderen haar leven offerde voor de familie. Ik stel me haar aankomst in de hemel voor als volgt. Rosa: ‘Het Is wel kort geweest, o Heer.’ O.L.Heer: ‘Maak je geen zorgen, mijn kind. Ik ga de jaren die jij te kort bent gekomen verdelen tussen je mama en pater Jongen’. Mama werd onlangs 100 jaar. En ik met mijn 97 heb ook geen klagen! Ben de oudste pater Montfortaan van de wereld! Zonder dat ik er iets bijzonders voor deed! En ook ben ik de oudste van de VLA (Vereniging van Limburgse auteurs). Mijn illustere dorpsgenoten, Frans en Emile Erens, mogen ’t me vergeven!
Vroenhof, Juli 2004.
Pater H.Jongen.
[Redactie: Padre Humberto overleed op 26 augustus 2007, in het jaar waarin hij onder grote belangstelling zijn
100e verjaardag vierde. Alle giften en gaven tijdens de grote receptie in Valkenburg aan de Geul werden overgemaakt
naar zijn droomproject in Brazilië dat realiteit werd en door Stichting Patris wordt onderhouden].
